Homeopathie

De grondlegger van de homeopathie is Dr. Hahnemann die rond 1800 leefde. De homeopathie gaat uit van het gelijksoortigheidprincipe. Dat wil zeggen dat de genezing plaats vindt met het gelijksoortige van de ziekte. Als een bepaald middel aan een gezond dier wordt gegeven, zal dat een bepaalde ziektereactie geven. Geef je nu dit middel aan een dier dat deze ziektesymptomen heeft, zullen deze symptomen juist opgeheven worden. De homeopathie werkt op de drie niveaus, het fysieke, het emotionele en de ziel. De prikkel die een homeopathisch middel aan het dier geeft, is een prikkel die het zelfgenezend vermogen van het dier stimuleert te gaan werken en zo genezing te bewerkstelligen.

Bij het zoeken naar het juiste middel wordt gebruik gemaakt van een repertorium. Hoe beter het totaalbeeld van het dier past in zowel de fysieke als de mentale omschrijving van een middel, hoe beter de werking van het middel zal zijn bij dit dier.

De homeopathische middelen zijn gepotentieerde (op een bepaalde manier verdunde) planten, mineralen, metalen, maar de oorsprong van de middelen kunnen ook van dieren afkomstig zijn, bijvoorbeeld slangengif. Sommige van deze middelen zijn dus in onverdunde vorm giftig (bijvoorbeeld arsenicum), maar kunnen in gepotentieerde vorm soms een verbluffend genezende werking hebben.

De homeopathische middelen kunnen in verschillende potenties gegeven worden (bijvoorbeeld een D6 of D12, maar ook een C200). Hoe groter het getal is, hoe meer het middel is ‘verdund’. Soms wordt er voor gekozen om een enkelvoudig middel te gebruiken: dan wordt er slechts 1 middel gegeven dat zo goed mogelijk bij het totaalbeeld van het dier past. Soms ook kan er een complexmiddel ingezet worden: dan zijn er meerdere middelen in een lage potentie samengevoegd om zo een bepaalde klacht, bijvoorbeeld diarree, te helpen genezen.