Er wordt uitgegaan van de gedachte dat ieder individu een zelfgenezend vermogen heeft.
Als er een te heftige of een te langdurige blootstelling is aan een prikkel die het systeem uit balans brengt, kan het gebeuren dat het individu niet meer in staat is om zonder hulp genezing te vinden.
In dat geval is het van belang om een prikkel toe te dienen die het systeem stimuleert weer in balans te komen.
Bij volkomen balans is er geen ziekte, de ziekte ontstaat door het (te lang) uit balans zijn.
Onze dieren leven over het algemeen op een manier die ver afstaat van het leven dat hun in het wild levende soortgenoten leven. Dit hoeft geen probleem te zijn, maar daardoor krijgen onze dieren veel prikkels die voor hen eigenlijk vreemd zijn en waar hun systeem wellicht niet goed op is ingesteld. Dit betreft onder andere de manier van huisvesten, het leven zonder soortgenoten, de manier van dagindeling en de manier van voeren en het soort voer, wellicht het leven in een drukke, of juist prikkelarme, omgeving. Al deze zaken zijn prikkels die een dier moet kunnen verwerken, waar hij zowel mentaal als fysiek goed mee om moet kunnen gaan, terwijl hij in eerste instantie voor een andere manier van leven was bestemd. Dit hoeft nogmaals geen probleem te zijn, en veel dieren krijgen er veel aandacht en liefde voor terug, maar het verwerken van deze (voor hen vreemde) prikkels vraagt veel flexibiliteit van onze dieren. En soms kan het gebeuren dat deze prikkels te veel zijn, of voor een dier om een andere reden niet goed meer te verwerken zijn. Dan kan er een disbalans ontstaan, die zichtbaar wordt in de vorm van symptomen: ziekte of een gedragsprobleem.
De prikkel die uit balans brengt kan zowel een fysieke als een emotionele zijn. De uiting van deze disbalans kan ook zowel fysiek als emotioneel ('gedragsprobleem') zijn. Vaak zijn de uitingen van een probleem meervoudig, dan kun je verschillende fysieke problemen en/of gedragsproblemen zien.
Een voorbeeld hiervan is het te vroeg of te abrupt weghalen van een pup bij de moeder. De uit balans brengende prikkel is dan een emotionele, het gevolg kan zijn dat de hond zich later moeilijk kan binden aan de eigenaar (een emotionele reactie dus) maar kan ook een fysieke zijn zoals chronische diarree. Een ander voorbeeld is een konijn dat alleen leeft: een konijn is vaak moeilijk te koppelen maar is wel degelijk een sociaal dier dat zich vaak beter voelt met een maatje.
Elk dier reageert op zijn eigen manier op prikkels van buitenaf. Er is uiteraard een overkoepeling binnen een soort: een konijn heeft andere levensomstandigheden en ander voedsel nodig dan een hond, maar de fysieke en emotionele aanleg en erfelijkheid maken dat het dier op zijn eigen, individuele, unieke manier reageert op de omgevingsfactoren.
Ook hier kan de natuurgeneeskunde al preventief adviezen geven. Vaak is het makkelijker als een buitenstaander, die objectiever kan zijn, een beeld kan geven over wat dat individuele dier vraagt.
Het natuurgeneeskundig advies zal bijna altijd in mindere of meerdere mate maatregelen omvatten. Hierbij moet gedacht worden aan voeraanpassing, andere huisvesting, aanpassing in werk. Indien alleen maatregelen niet voldoende zijn, zal er ook een advies volgen in de vorm van middelen.
De therapeutische vakgebieden die ik op dit moment tot mijn beschikking heb zijn: Bach bloesem remedies, essentiële oliën (aromatherapie), voeding, fytotherapie (kruidengeneeskunde), homeopathie, tteam, beweging en massage.